Doe normaal met het MKB

Landbouwbedrijven worden gerekend tot het midden- en kleinbedrijf. En familiebedrijven worden wel beschouwd als hoeksteen van de Nederlandse economie. Aan de effectenbeurs genoteerde bedrijven trekken weliswaar veel meer publiciteit, maar zijn getalsmatig een piepklein deel van het totaal. Minder dan 200 bedrijven zijn beursgenoteerd, terwijl ons land medio 2016 ruim 1.770.000 bedrijven telde, waarvan meer dan de helft zonder personeel. Tijdens de boeiende discussie in het west Brabantse Heerle op de akkerbouw sectoravond van afgelopen dinsdag 24 januari werd daar nadrukkelijk bij stilgestaan. 

Het familiebedrijf, en zeker ook het boerenbedrijf, kennen zijn eigen dynamiek. Ook worden eigen specifieke obstakels ondervonden als het gaat om het verkrijgen van een financiering of de overdracht van de ene generatie naar de volgende. Zeker landbouwbedrijven met veel eigen grond vertegenwoordigen een enorm vermogen en bij de overdracht naar een van de kinderen, blijkt dat tot problemen te kunnen leiden als je als ouder dat netjes naar de andere kinderen van het gezin wilt regelen. Er zijn wel mogelijkheden om bedingen vast te leggen om speculatie tegen te gaan en lagere kosten in rekening te brengen bij de overdracht. Toch gaat het altijd om veel geld en dat kan ook goede familierelaties negatief beïnvloeden. 

Daar komt nog bij, zo werd vanuit de zaal opgetekend, dat grote multinationals bijna voor niets geld kunnen lenen bij de financiële sector en bovendien ook nog nauwelijks belasting afdragen aan de Nederlandse staat. Voor het gemiddelde boerenbedrijf ligt dat wel anders. Het vermogen dat in het bedrijf is geïnvesteerd, heeft nog maar nauwelijks betekenis om in aanmerking te komen voor financiering. Veel meer wordt gekeken naar het verdienmodel en de cijfers daarvan moeten goed kloppen over meerdere jaren, voordat een bank bereid is om financieringsrisico’s te nemen. Het is natuurlijk zo, dat grond alleen niet te eten is, maar met het vakmanschap van de huidige boeren is het wel degelijk een mooie zekerheid.

Daar moet een financier toch gevoelig voor zijn? Echter, sinds de financiële crisis van enkele jaren geleden, wordt er heel erg voorzichtig gekeken naar het van oudsher gewaarde boeren familiebedrijf. Het is terecht dat er goed gekeken wordt naar het verdienmodel, en het ging in het verleden misschien wel allemaal veel te gemakkelijk. Toch zou het agrarische bedrijf met veel eigen vermogen, daarop normaal beoordeeld willen kunnen worden. Het is niet alleen de productiecapaciteit wat telt, want de vrije markt kan best een paar jaar tegen zitten en dan valt het niet altijd mee wat die goede productiecapaciteit oplevert. 

Vanwege het fiscale klimaat in ons land is het bovendien niet verstandig om veel liquiditeit aan te houden. Bedrijven investeren in hun ontwikkelingen en dat heeft er toe geleid dat ons piepkleine land wel mondiaal de tweede exporterende natie is, vóór grootmachten zoals Brazilië, Frankrijk, Rusland, Duitsland en China. Die export is afgelopen jaar weer tot een recordhoogte gestegen. Zonder primaire boeren familiebedrijven is dat onmogelijk. Politici zeggen soms ‘doe normaal’ en verbinden daar dan een suggestie aan om het land anders maar te verlaten. Het boerenbedrijf wil normaal behandeld worden. Een fiscaal vrijgestelde calamiteitenreservering helpt als er zich een calamiteit voordoet en kredietverstrekking, ook rekening houdend met eigen vermogen, helpt ook. Het is weer tijd om normaal te doen. 

Jeroen Kloos

25 januari 2017

BRON:
Jeroen Kloos
Naar boven