Natuurinclusieve landbouw is van ons

Boeren en tuinders zijn traditioneel de hoeders van het buitengebied. Al eeuwenlang verzorgen wij weilanden en akkers, slootkanten en poeltjes, wilgen en houtwallen. Het is een rol die ons past als een oude jas. De variatie aan flora en fauna op en rond onze bedrijven is groot. ‘Natuurinclusieve landbouw’ heet dat tegenwoordig.

In het verleden waren daar termen voor in zwang als ‘functionele agrobio-diversiteit’ (FAB). Dat klonk een stuk minder trendy, maar er werd min of meer hetzelfde bedoeld.

We moeten het niet laten gebeuren dat anderen de term ‘natuurinclusieve landbouw’ kapen. Een aantal mensen denkt namelijk dat biodiversiteit bij natuurorganisaties en landschapsbeheerders in betere handen is. Een misvatting. De boer is verzorger van plant, dier, bodem en ecosysteem. In die rol kunnen we iedereen met opgeheven hoofd de vraag stellen: kunt u het beter? Het antwoord kennen we.

Kortom, ‘natuurinclusieve landbouw’ is van ons en moet van ons blijven. Dat schept verplichtingen. Want dat er dingen niet goed gaan, is een feit. Het agrarische landschap wordt eentoniger, mede vanwege schaalvergroting en specialisatie.

Gelukkig hebben boeren en tuinders hierbij zelf de oplossing in handen. Die ligt in de bodem. Door meer te investeren in de bodem nemen het bodemleven en de hoeveelheid organische stof in de bodem toe. Met als gevolg: een betere bodemstructuur, waardoor percelen minder gevoelig zijn voor zware regenval of hevige droogte. Robuustere gewassen, die minder chemie nodig hebben.

Biodiversiteit, landschap en moderne landbouw staan niet haaks op elkaar. Sterker, ze kunnen niet zonder elkaar.

Hans Huijbers
LTO Duurzaam ondernemen

22 april 2017

BRON:
Hans Huijbers
Naar boven