Grondgebondenheid splijtzwam

Vrijdag 6 april is de landelijke vakgroep door voorzitter Ton Loman geïnformeerd over het advies van de commissie grondgebondenheid. De commissie was ingesteld op verzoek van de vakgroep melkveehouderij van LTO Nederland en de NZO.

De denkrichting van de commissie is bij ons al bekend, maar ik ben die vrijdag er niet minder gespannen onder.  Grondgebondenheid is een gevoelig punt en niet alleen op het zand in Brabant heb ik het laatste halfjaar gemerkt. Vooral het niet grondgebonden zijn van veel bedrijven als gevolg van de schaarste aan grond en de concurrentie op de grondmarkt met andere intensieve sectoren. De spanning is groot omdat bedrijven zich, volledig legaal, nu eenmaal op een bepaalde manier hebben ontwikkeld. In hoge mate bepaald door de omgeving en de grond waar de wieg stond. In weerwil van de wetgeving die de afgelopen jaren over ons is uitgestort. Ook ik voel thuis de druk. En als bestuurder voel ik continu de druk, zowel vanuit collega’s binnen de sector als van partijen daarbuiten, de politiek en de kritische maatschappelijke organisaties. Grondgebondenheid lijkt een splijtzwam geworden.

Het advies van de commissie scherpt onze eigen, eerder gepresenteerde visie op grondgebondenheid verder aan (2013). De commissie stelt niet het bezit van grond centraal, maar het gebruik van de grond en is in het advies behoorlijk concreet. De commissie levert de bouwstenen om de plek die wij ambiëren te verdienen. Voor intensieve bedrijven is het een kans om er weer bij te horen. Niet makkelijk, maar ik zou de kans pakken.
De afgelopen 10 jaren heeft de melkveehouderij een enorme ontwikkeling doorgemaakt, zeker in vergelijking met de 30 jaar daarvoor. Nieuwe stallen met in de meeste gevallen een verdubbeling van het aantal koeien. We leefden op een roze wolk, het imago van een fantastische sector hebben we mee en het prachtige vooruitzicht van een groeiende exportmarkt buiten Europa.

De onstuimige groei lokt wetgeving uit, omdat de milieu-ruimte beperkt is en het draagvlak in Nederland tanende. Mijn voorgangers en ik hebben de afgelopen jaren veel kritiek gehad: het quotum niet afschaffen, deze ontwikkeling aan moeten zien komen, in moeten grijpen, de koek anders moeten verdelen en geen visie hebben. In de visie grondgebondenheid eind 2013 staat het als volgt omschreven: http://www.lto.nl/actueel/nieuws/10838261/Zuivelsector-kiest-voor-grondgebonden-melkveehouderij
Géén bedrijven zonder grond, het gezinsbedrijf als bedrijfsvorm, geen dichte stallen, voer uit de omgeving, weidegang en het grondgebonden karakter behouden. Deze visie is destijds een voorwaarde voor de derogatie 2014-2018 en deze visie is voor Sharon Dijksma voldoende om géén fosfaatrechten in te voeren. Maar hoe vul je dat in, hoe ziet het er dan uit?

Verplichte mestverwerking, fosfaatreferentie, grondgebonden groei, fosfaatreductieplan en een stelsel van fosfaatrechten moeten de melkveehouders in toom houden, zeggen wij in koor. Waarom? Omdat de sector niet heeft geleverd wat zij met de overheid heeft afgesproken. Fosfaatefficiency wordt niet beloond en voer-mest contracten zijn afgeserveerd, omdat het effect een verdere intensivering in de hand werkt. Ammoniak- en klimaatgrenzen doemen op. In Brabant hebben we in 2010 al de megastaldiscussie, in Friesland beheerst landschapspijn de discussie, kalf bij de koe en de actuele ‘fraude’ schandalen. 

What’s next?
De Wet Grondgebondengroei is voor mij persoonlijk de reden dat ik als bestuurder ben opgestaan. Omdat hierin geen plek is voor de regionale kringloop terwijl dat óók een onderdeel is van onze visie uit 2013. Na 2 juli 2015 is twee-derde van de Nederlandse melkveehouderij politiek en maatschappelijk weggezet als intensief en ongewenst. Beloont met 8,3% inleveren van fosfaatrechten, afgewezen om uit de afroompot rechten toebedeeld te krijgen én afgewezen om fosfaatefficiency beloond te krijgen (pilot kringloopwijzer). Daarmee zitten deze bedrijven in de verkeerde hoek. Ik verwacht dat daar de klappen zullen blijven vallen. In het nieuwe stelsel en de kringloopwijzer zitten namelijk een aantal prikkels waardoor bedrijven versnelt industrialiseren en daarmee verder afdrijven van het beeld dat politiek en samenleving voor ogen heeft. Afdrijven betekent op termijn uitdrijven. De voorbeelden zijn bekend. 

Wij hebben als sector en vooral als bestuurders behoefte aan een update van onze visie uit 2013. Een stip aan de horizon. 24 leden hebben maanden onderzoek gedaan en intensief met elkaar gesproken om de bouwstenen te kunnen leveren voor actualisering en aanscherping. http://www.lto.nl/media/default.aspx/emma/org/10889084/samen%20naar%20een%20nieuwe%20wij.pdf ‘Samen naar een nieuwe wij’, is hun eindverslag.

Daarin blijven twee dilemma’s open staan waar de visiegroep geen eensluidend antwoord op heeft geven, maar de vakgroep wél de opdracht geeft met een antwoord te komen. Ook achteraf is het daarom een juiste keuze geweest om een onafhankelijke commissie in te stellen die met het advies van vorige week het antwoord geeft op de openstaande vragen van de visiereizigers.

De eerste reacties die wij ontvangen toen het advies 11 april aan de portefeuillehouders is gepresenteerd, variëren tussen ‘schokkend’ en ‘dit had er al veel eerder moeten liggen’. Een noordelijke portefeuillehouder spreekt de verwachting uit dat hiermee een einde komt aan de discussie intensief-extensief. Ik denk en hoop het ook, maar dan moet het advies wél uitgevoerd worden. Hoe dat moet wordt nu de grote vraag. Ook nu is de reactie vanuit de overheid: ‘prima visie, maar voor wat jullie zelf ambiëren, schrijven wij geen wet’. En wat wordt ons doel? Moet elk melkveebedrijf in Nederland grondgebonden worden?

De commissie grondgebondenheid zet een duidelijke stip op de horizon. Zo duidelijk dat het ook pijn doet, ook al is er nog wat tijd. Kunnen wij die pijn zelf nemen of vervallen we in het oude patroon en blijven daarmee afhankelijk van de politiek? En zijn de consequenties dan wel te overzien?

Jos Verstraten, LTO- vakgroep Melkveehouderij, jverstraten@lto.nl

16 april 2018

BRON:
Jos Verstraten
Naar boven