Brussel wil bepaalde oneerlijke handelspraktijken aanpakken

De Europese instituties (Europese Commissie, Europees Parlement en de landbouwministers) zijn het op 19 december 2018 eens geworden over nieuwe wetgeving tegen een aantal oneerlijke handelspraktijken ter bescherming van leveranciers tot een maximum omzet van 350 miljoen euro per jaar.

Om welke oneerlijke handelspraktijken gaat het?

De nieuwe wetgeving zou een aantal oneerlijke handelsprakijken moeten gaan beperken, waarvan de meest opvallende is de verplichting van de afnemer om de leverancier binnen 30 dagen te betalen voor niet houdbare producten. Voor houdbare producten moet binnen 60 dagen betaald worden. De wetgeving gaat gelden voor alle land- en tuinbouwproductie, inclusief sierteelt, veevoer en zaden/uitgangmateriaal.

Kopers mogen overeenkomsten niet eenzijdig en met terugwerkende kracht wijzigen, bijvoorbeeld door op het nippertje een order te annuleren waardoor de leverancier blijft zitten met producten die niet houdbaar zijn en dus een groot verlies lijdt.

Leveranciers hebben recht op een schriftelijke bevestiging van de leveringsovereenkomst, als ze daar om vragen.

Kopers mogen kosten van kwaliteitsverlies na de levering, bijvoorbeeld in de fabriek of het distributiecentrum, niet verhalen op leveranciers tenzij dit het gevolg is van een fout van de leverancier. De koper mag niet willekeurig kosten in rekening brengen bij de leverancier; er moet echt iets tegenover staan. Kopers mogen bijvoorbeeld kosten voor het inrichten van het winkelschap of kosten die te maken hebben met consumentenklachten niet zomaar doorberekenen aan de leverancier.

Verder mogen kopers commercieel gevoelige informatie van de leverancier zorgvuldig behandelen en niet zomaar delen met concurrenten of anderszins misbruiken.

Kopers mogen hun leverancier niet oneigenlijk onder druk zetten tijdens contractonderhandelingen of om zo een bestaand contract open te breken. Voorbeelden: door bijvoorbeeld product van het schap te halen, betalingen te vertragen of er op te korten, met producten te gaan stunten of product uit te sluiten van promoties. Kopers mogen ook niet de leverancier onder oneigenlijke druk zetten als die een klacht indient tegen oneerlijke handelspraktijken en/of meewerkt aan een onderzoek naar oneerlijke praktijken.

Er zijn ook enkele ‘grijze’ regels; die gelden alleen tenzij er vóóraf tussen leverancier en afnemer duidelijke afspraken over gemaakt zijn:

  • niet-verkocht product mag niet zomaar teruggebracht worden naar de leverancier zonder een vergoeding.
  • Kopers mogen kosten voor toegang tot het schap (‘listing fees’), opslag en voor promotie in winkels niet zomaar aftrekken van de prijs. 
  • Kopers mogen kortingsacties niet in mindering brengen op de prijs die de leverancier ontvangt.

Voor welke bedrijven geldt het?

De wetgeving is bedoeld voor bedrijven met een maximum omzet van 350 miljoen euro per jaar, waarbij een staffeling geldt. De wetgeving beschermt:  

  • leveranciers met een omzet tot € 2 miljoen tegen grotere kopers;
  • leveranciers met een omzet tot € 10 miljoen tegen grotere kopers;
  • leveranciers met een omzet tot € 50 miljoen tegen grotere kopers;
  • leveranciers met een omzet tot € 350 miljoen (in twee categorieën, namelijk € 50-150 miljoen en € 150-350 miljoen) tegen nog grotere kopers.

De EU-lidstaten moeten straks een loket inrichten waar ondernemers hun klachten kunnen gaan indienen. Ook bij leveringen aan een klant in een andere EU-lidstaat kan de leverancier in eigen land de klacht indienen. LNV kijkt hierbij naar de ACM. Die zou toezicht moeten gaan houden. Daarnaast blijft er mogelijk een laagdrempelige mogelijkheid voor geschilbeslechting via de Stichting Geschillenbeslechting Beroep en Bedrijf. De gesprekken hierover lopen.

De nieuwe Europese wetgeving wordt 12 maanden nadat deze is gepubliceerd van kracht. De komende maanden moet de tekst nog juridisch worden gecheckt en vertaald, waarna Europees Parlement en Landbouwraad er komend voorjaar nog een laatste klap op moeten geven. De definitieve teksten volgen dus nog. Drie jaar na de inwerkingtreding moet de Europese Commissie de nieuwe regels gaan evalueren.

Wat kunnen boeren en tuinders, en hun coöperaties hiermee?

LTO heeft sinds 2011 al de nodige discussies gevoerd over oneerlijke handelspraktijken. Samen met de retail (CBL) en voedingsindustrie (FNLI) heeft LTO tussen 2013 en 2016 lang een klachtenloket opengesteld op basis van een aantal oneerlijke handelspraktijken. Dit initiatief was gebaseerd op een Europees initiatief van Europese organisaties in 2011, het ‘Supply Chain Initiative‘ (SCI). Het leverde de nodige publiciteit, activiteit en informatie op, maar uiteindelijk geen concrete klachten.

Een belangrijke oorzaak is dat veel Nederlandse boeren en tuinders niet rechtstreeks aan grote verwerkers en retailers leveren. De meesten zijn lid van coöperaties (vaak veilingen of telersverenigingen) die namens de leden de afzet organiseren en de onderhandelingen met afnemers voeren. Er wordt in de land- en tuinbouw dus veel gesproken over prijzen en marges, maar hoe het er in de werkelijke wereld van de contractonderhandelingen werkelijk aan toe gaat, is veel minder goed bekend. De deelname vanuit coöperaties aan het Nederlandse initiatief bleef de afgelopen jaar beperkt: wel interesse in het onderwerp, maar geen concrete klachten. Er lijkt dus een verschil te zijn tussen hoe boeren en tuinders het onderwerp ervaren, en hoe hun afzetcoöperaties er in de praktijk mee omgaan.

Maar oneerlijke handelspraktijken volgens de nu gehanteerde definities komen voor; daarom wordt er ook over gesproken. Maar het leidt niet snel tot een officiële klacht. Een belangrijke reden is dat afspraken vaak mondeling zijn waarbij wordt verwezen naar inkoopvoorwaarden. Als dan wordt gevraagd: wat was er precies afgesproken, krijg je verschillende versies. Andere redenen zijn: men accepteert dat het spel nu eenmaal zo gespeeld wordt, de leverancier zoekt een andere afnemer, leverancier en afnemer komen er op een bepaalde manier toch uit, en soms is de houding “ik wil geen gedoe met mijn klant, dus ik probeer er mee te dealen”. De angstfactor kan een rol spelen, maar het is zeker niet de enige factor.

Geen klachten, wat dan?

Als er geen klachten ingediend worden, wil dat niet zeggen dat de discussie over oneerlijke handelspraktijken geen zin heeft. Het is goed dat er aandacht is voor een gedragscode en waar de grens ligt van onbehoorlijk zakendoen. Daarom ondersteunt LTO het wetsvoorstel ook. Er is echter meer nodig om de inkomenspositie van boeren en tuinders structureel te versterken.

Het belangrijkste is dat boeren en tuinders zich realiseren dat ze individueel geen match zijn voor de grote spelers in de sterk geconcentreerde voedingsindustrie en retail. Alleen via sterke coöperaties kunnen ze min of meer op voet van gelijkwaardigheid onderhandelen. Het tweede is dat er mogelijk moet worden om sectorbreed afspraken te maken over de vergoeding van berekende kosten voor bescherming van milieu, klimaat en dierenwelzijn. De recente akkoord over biodiversiteit en klimaat bieden hier misschien ruimte. En stunten met producten met bovenwettelijk duurzame standaard, zou straks ook een oneerlijke handelspraktijk moeten worden.  Dan gebeurt er werkelijk iets met de prijs die de boer en tuinder ontvangt.

De sleutelspelers: de consument en de burger

Kan de nieuwe wetgeving leiden tot hogere prijzen voor de consument? Supermarkten gebruiken dit als argument om het voorstel tegen te houden. Maar duurzaamheid zit niet gratis bij de boodschappen en zeker niet bij de aanbiedingen. Het zal nog de nodige gesprekken met consumentenorganisaties vergen om hen ervan de overtuigen dat een minder lage prijs ook in het lange termijn voordeel van consument én burger is. Wellicht dat de groene NGOs daar de komende tijd hun pijlen op kunnen gaan richten. 

21 december 2018

BRON:
Klaas Johan Osinga
Naar boven