Factcheck – uitzending Zembla omwonendenonderzoek

Factcheck – uitzending Zembla omwonendenonderzoek
Op 25 april besteedt Zembla een uitzending aan gewasbeschermingsmiddelen. Aanleiding was onderzoek van het RIVM naar de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen in buurt van landbouwpercelen.
Uitingen door Zembla vooruitlopend op de uitzending roepen op tot bezorgdheid.  Dat terwijl LTO Nederland, KAVB en NFO de daadwerkelijke resultaten van het RIVM-onderzoek geruststellend vinden. Waar komt dat verschil vandaan? Na de uitzending zullen we in dit artikel enkele uitingen van Zembla nader tegen het licht houden. Daarop vooruitlopend bespreken we alvast de context. 
Context
Het is belangrijk dat er gedegen wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar gewasbeschermingsmiddelen. Om voedsel en andere producten te kunnen maken moeten planten beschermd worden. Dat doen telers door ervoor te zorgen dat de gewassen zelf zo gezond en sterk mogelijk (“weerbaar”) zijn; en ze als het nodig is extra te beschermen, onder andere door gebruik van veilige en goed onderzochte gewasbeschermingsmiddelen zo gericht mogelijk in te zetten.
Bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt goed rekening gehouden met de potentiële verspreiding naar de omgeving. Middelen worden alleen toegelaten als ze veilig zijn voor mens en milieu. Toch was er in de maatschappij, en vooral bij omwonenden, behoefte aan nog meer duidelijkheid over die verspreiding. Dat heeft geleid tot twee onderzoeken: een verkennende studie naar de gezondheid van omwonenden, en een onderzoek naar de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen.
Boeren en tuinders hebben hier begrip voor. Sterker nog: zij en hun families zijn ook omwonenden, en hadden dus grote interesse in de uitkomsten van het onderzoek. Ook LTO Nederland, KAVB en NFO hebben het belang van de onderzoeken van het RIVM vanaf het begin onderschreven (meer informatie over de onderzoeken is hier te vinden).

Verkennend gezondheidsonderzoek genegeerd door Zembla
Het eerste RIVM-onderzoek onder omwonenden, naar de gezondheid van mensen die naast een landbouwperceel wonen, werd in de zomer van 2018 afgerond. De resultaten waren positief – er is geen verband tussen gewasbeschermingsmiddelen en gezondheid, en mensen die naast een landbouwperceel wonen zijn doorgaans gezonder dan iemand die daar verder vandaan woont (bron: Verkennend Gezondheidsonderzoek)Dit rapport is door Zembla genegeerd.

Onderzoek naar blootstelling
Het tweede onderzoek, waarbij puur werd gekeken naar de mate waarin omwonenden in contact komen met gewasbeschermingsmiddelen – blootstelling – werd in april afgerond. Belangrijkste conclusie: er worden inderdaad gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in de omgeving van landbouwpercelen, maar de gevonden hoeveelheden leiden niet tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden. De veiligheidsmarges waarmee in de toelating van middelen al rekening gehouden wordt, liggen vele malen hoger dan de gemeten concentraties. Wel pleit het RIVM voor nader onderzoek (bron: https://www.bestrijdingsmiddelen-omwonenden.nl/blootstellingsonderzoek).

Veel gestelde vragen
KAVB en LTO Nederland hebben naar aanleiding van het omwonendenonderzoek en de media-aandacht daarvoor antwoorden op enkele veel gestelde vragen verzameld. Die zijn hier terug te vinden.

Overzicht van de uitingen Zembla die hieronder worden besproken:

Zembla: ‘RIVM kan niet garanderen dat het veilig is’
Zembla: ‘Door tekortkomingen huidige risicobeoordeling wordt veiligheid jonge kinderen niet gegarandeerd’
Zembla: ‘Er wordt ongelofelijk veel gif gebruikt’
Zembla: ‘Er is bijna geen boer die zonder gif kan’
Zembla: ‘Sector neemt de zorgen van omwonenden niet serieus'
Zembla: ‘Zembla toont aan dat in 2011 en 2013 volstrekt onbekend was in welke mate omwonenden aan deze middelen worden blootgesteld’
Zembla: ‘Boeren sjoemelen met regels landbouwgif’
Zembla: ‘Door de nieuwe onderzoeken lopen de spanningen tussen bezorgde burgers en boeren verder op.’
Zembla: ‘LTO wil niet zeggen waarom de uitkomsten geruststellend zijn’

Deze bewering komt voort uit een quote van Mark Montforts, onderzoeker bij het RIVM. We kennen de context van zijn opmerking niet, maar vaststaat dat:
  • Het RIVM concludeert dat “er geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid naar voren zijn gekomen” (zie hieronder en in deze brief),
  • Het Ctgb concludeert dat dat “de toegelaten middelen veilig zijn voor omwonenden” (zie hieronder en in het advies van het Ctgb en dit nieuwsbericht)
Waarom dan toch deze opmerking in de uitzending? We kunnen niet voor het RIVM spreken, maar het onderzoeksrapport zelf biedt een aantal aanwijzingen.
Om te beginnen: het RIVM is bij dit onderzoek alleen gevraagd om naar de blootstelling te kijken, niet naar eventuele gezondheidsrisico’s. RIVM kan daar dan ook moeilijk garanties over afgeven. Men kan alleen de gevonden waarden naast de normen leggen. Gelukkig blijkt dat de gevonden waarden onder de normen liggen, zoals het RIVM ook aangeeft.
Het eerste RIVM-onderzoek onder omwonenden ging wel over de gezondheid van mensen die naast een landbouw perceel wonen. Het werd in de zomer van 2018 afgerond en genegeerd door Zembla. De resultaten waren positief – er is geen verband tussen gewasbeschermingsmiddelen en gezondheid, en mensen die naast een landbouwperceel wonen zijn in bijna ieder geval gezonder dan iemand die daar niet woont (bron: Verkennend Gezondheidsonderzoek).
Terug naar het blootstellingsonderzoek. Er zijn daarbij geen extreme blootstellingen gemeten - goed nieuws. Tegelijkertijd betekent dit dat het RIVM op basis van dit onderzoek geen garanties wil geven over wat er zou gebeuren bij zo’n ´worst-case’ blootstelling:
“Deze indicatieve beoordeling van de OBO-meetgegevens in termen van gezondheidsrisico’s is geen eindoordeel over de veiligheid van alle omwonenden, inclusief de telers. Er is immers geen ‘worst-case’-blootstelling gemeten en er is slechts een selectie van bestrijdingsmiddelen in één teelt onderzocht. Het valt dus niet uit te sluiten dat zich omstandigheden voordoen waarin de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen hoger uitvalt.” (bron: Samenvattend rapport RIVM)
Gelukkig houdt het Ctgb daar wel rekening mee in de toelating, hun modellen gaan uit van worst case aannames (bron: Ctgb advies onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en omwonenden). Bovendien bleef de daadwerkelijk gemeten blootstelling onder de blootstelling die je op basis van het model zou kunnen verwachten.
En vergeet niet: de huidige risicobeoordeling gaat uit van een blootstelling met een veiligheidsfactor 100. Dat betekent dat je nog steeds veilig bent als je 100x zoveel binnen krijgt als de toelatingsnorm. De gevonden waarden bij omwonenden zitten nog ver ónder de toelatingsnorm en dus meer dan 100 keer onder de veilige grenswaarde.
Uit het verkennend gezondheidsonderzoek en het blootstellingsonderzoek blijkt dus dat omwonenden zich geen zorgen hoeven maken. De overheid had overigens ook direct ingegrepen als daar ook maar enige aanleiding toe was – een geruststellende gedachte.
Het RIVM stelt wel voor op bepaalde punten nader onderzoek te doen. De regering heeft nu aan de Gezondheidsraad gevraagd of dat nodig is om ook de laatste onduidelijkheden weg te nemen.
 
Zembla stelt dat het RIVM vanwege tekortkomingen in de huidige risicobeoordeling van bestrijdingsmiddelen de veiligheid van kinderen niet kan garanderen. Dat is geen eerlijke weergave van de conclusies van het rapport. In de aanbiedingsbrief wordt namelijk éérst gesteld dat het gebruik veilig is – ook al wordt het op een voorzichtige, wetenschappelijke manier geformuleerd:
“Op basis van de nu beschikbaar gekomen onderzoeken naar blootstellingsgegevens aan gewasbeschermingsmiddelen constateren de onderzoekers dat er geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid naar voren zijn gekomen. Er zijn geen grenswaarden overschreden en in de huidige toelatingsmethodiek wordt de blootstelling volgens het Ctgb ook niet onderschat. Tegelijkertijd signaleren de onderzoekers lacunes in de beschikbare kennis, bijvoorbeeld in verband met de risico’s gerelateerd aan de blootstelling van kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en combinaties van stoffen. Deze zorgen zijn ook geuit in een recent gesprek dat wij gevoerd hebben met bewoners. We zijn daarom van mening dat op genoemde punten nader onderzoek nodig is.” (bron: Aanbieding blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen)
Wat zijn nou precies die tekortkomingen, of lacunes?
Zembla benadrukt dat er in de modellen die bij toelating worden gebruikt geen rekening wordt gehouden met de blootstelling via huisstof. Als de modellen daardoor de totale blootstelling te laag zouden inschatten zou dat inderdaad een probleem kunnen zijn. Maar wat blijkt:
“De gemeten concentraties in urinemonsters van deelnemers aan het onderzoek bleken lager te zijn dan die in de urine van proefpersonen die de dosering hadden gekregen die veilig is bij een acceptabele dagelijkse inname. De resultaten laten zien dat de blootstelling aan de hier onderzochte middelen niet te laag wordt ingeschat in de huidige toelatingsbeoordeling.” (bron: Aanbieding blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen)
Het Ctgb voegt hieraan toe:
“De gevonden waarden van de gemeten werkzame stoffen in huisstof liggen in de hoeveelheid van nanogrammen per gram huisstof [een nanogram is 0,000 000 001 gram]. Aangenomen wordt dat de mens dagelijks oraal 50 tot 100 mg huisstof binnenkrijgt. Aangezien ADI [aanvaardbare dagelijkse inname] en ARfD [Acute Referentie Dosis] in algemeenheid in de orde van grootte van mg werkzame stof/kg lichaamsgewicht is, is de verwachting dat de blootstellingsroute via huisstof niet substantieel zal bijdragen aan het totale risico voor omwonenden.” (bron: Ctgb advies onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en omwonenden.)
Zembla zegt verder dat “er bij de risicobeoordeling geen rekening gehouden met het feit dat omwonenden aan meerdere bestrijdingsmiddelen tegelijkertijd worden blootgesteld”. Dit is onjuist. Zoals het Ctgb al in 2017 toelicht:
“Natuurlijk kan er op verschillende manieren een gecombineerde blootstelling aan residuen plaatsvinden. Zo kan één middel meerdere werkzame stoffen bevatten. Daarnaast kunnen er binnen een teelt meerdere ziektes of plagen voorkomen die met verschillende middelen moeten worden behandeld. Theoretisch zou het kunnen zijn dat de verschillende middelen werkzame stoffen bevatten met een vergelijkbaar werkingsmechanisme dat vergelijkbare schadelijke effecten kan veroorzaken. De ervaring leert echter dat het extra risico van gecombineerde blootstelling zeer gering is. Het effect van de cumulatie zal dan ook voor het overgrote deel binnen de bestaande veiligheidsmarges vallen. Hierbij kan opgemerkt worden dat meetgegevens uit de praktijk uitwijzen dat residuniveaus vaak erg laag zijn en ver onder de MRL’s liggen.” (Bron: Geen extra risico's gecombineerde blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, Ctgb)
Terug naar de bewering van Zembla over de risicobeoordeling met betrekking tot kinderen. Het Ctgb is er duidelijk over:
“De veilige grenswaarden per stof zijn gebaseerd op het gevoeligste effect van de stof en dekken dus kwetsbare groepen. Studies omvatten blootstelling vanaf voor bevruchting, tijdens bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, ontwikkeling van pasgeborenen tot en met volwassenheid.” (bron: Antwoorden Zembla vragen, Ctgb)
Concluderend: de risicobeoordeling houdt rekening met jonge kinderen, en uit het omwonendenonderzoek blijkt dat ze veilig zijn.
 
Boeren en tuinders willen een gezond gewas en weten dat de natuurlijke omgeving hieraan bijdraagt, bijvoorbeeld via natuurlijke vijanden en een gezonde bodem. Bovendien zijn gewasbeschermingsmiddelen kostbaar en werken ze alleen óp de plant en niet ernaast. Boeren en tuinders gebruiken daarom het liefst duurzame middelen met zo min mogelijk emissie naar de bodem, water en de lucht. Ook de wet stelt hoge eisen aan de inzet van middelen die telers en tuinders gebruiken om hun gewas te beschermen. Hierop wordt streng gecontroleerd door waterschappen en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
De bewering van Zembla is vaag (wat is ‘veel’) en lijkt bovendien gestoeld op het aantal kilo’s dat per hectare wordt gebruikt. Dat is echter een slechte maatstaf. Niet elk middel is immers gelijk.
Om te beginnen worden er steeds vaker selectieve middelen gebruikt. Die richten zich maar op een soort ziekte of plaag. Een van de redenen is dat hiermee ook de natuurlijke vijanden van ziekten en plagen worden behouden. Hierdoor kan het dat er meer (verschillende) middelen worden gebruikt, maar dat het juist beter is voor het milieu.
Ten tweede worden er steeds meer laagrisicomiddelen gebruikt. Zo wordt bijvoorbeeld knoflookextract ingezet om aaltjes te bestrijden. Dat betekent dat er misschien meer kilogram gewasbeschermingsmiddel moet worden ingezet dan bij gebruik van een paardenmiddel, maar dat de milieubelasting veel lager is.
Dat is overigens ook de reden dat de overheid al sinds de jaren 90 naar milieubelasting in plaats van naar kilo’s kijkt. De milieubelasting is sindsdien sterk gedaald (bron: Agrimatie). De stelling van Zembla is dus achterhaald.
Dat neemt niet weg dat de sector minder afhankelijk willen zijn van gewasbeschermingsmiddelen. Daarom hebben we twee jaar gelden de Ambitie Plantgezondheid 2030 ‘Gezonde Teelt, Gezonde Toekomst’ gepresenteerd. De onlangs gepresenteerde toekomstvisie gewasbescherming van Minister Schouten sluit hierop aan. Ook wat dat betreft is de bewering van Zembla dus oud nieuws.
Om voedsel en andere groene producten te telen moeten er soms worden bijgestuurd. We zetten de natuur daarmee naar onze hand. Bijvoorbeeld door gewasbeschermingsmiddelen in te zetten om ziekten en plagen op afstand te houden. De uitdaging daarbij is om tegelijkertijd het natuurlijk evenwicht tussen het gewas en zijn omgeving zo min mogelijk te verstoren. De boer leeft dag in dag uit met het land. Hoe gezonder het land, hoe beter de producten. Hij of zij is erbij gebaat om daar zo min mogelijk middelen bij te gebruiken. Maar we kunnen niet zonder.
Op dit moment werken we volgens het zogenaamde ‘Integrated Pest Management’-systeem. Dit is een manier van duurzame ziekte- en plaagbestrijding die bestaat uit een combinatie van preventie, monitoring en zo nodig bestrijding. Daarbij is een zo laag mogelijke milieulast leidend in de keuze voor in te zetten maatregelen en middelen.
Dat neemt niet weg dat de sector minder afhankelijk willen zijn van gewasbeschermingsmiddelen. Daarom hebben we twee jaar gelden de Ambitie Plantgezondheid 2030 ‘Gezonde Teelt, Gezonde Toekomst’ gepresenteerd. De onlangs gepresenteerde toekomstvisie gewasbescherming van Minister Schouten sluit hierop aan. Maar inderdaad: helemaal zonder gewasbeschermingsmiddelen – in welke vorm dan ook – zal inderdaad niet lukken. Het is dan ook goed nieuws dat het gebruik van middelen, getuige het RIVM-onderzoek, veilig is voor alle betrokkenen.  
 
Boeren en tuinders zetten zich in voor een gezonde omgeving. Gezondheid is het grootste goed, of het nou die van de teler of van zijn buren betreft. LTO Nederland, KAVB en NFO zijn trots op de talloze ondernemers die open het gesprek aangaan met hun omgeving om eventuele zorgen in transparantie te bespreken.
Het belang van het omwonendenonderzoek wordt door LTO, KAVB en NFO onderschreven. De organisaties zijn ook daarom betrokken geweest bij het onderzoek: door leden te stimuleren deel te nemen en door onderdeel uit te maken van de klankbordgroep.
In algemene zin gaat de sector met grote regelmaat het gesprek aan met volksvertegenwoordigers, betrokken ministeries, maatschappelijke organisaties en media, ook over de zorgen rondom gewasbeschermingsmiddelen. Zo droeg LTO Nederland vorige week nog bij aan een rondetafelgesprek over plantgezondheid in de Tweede Kamer. Ook is meerdere keren ingegaan op vragen van Zembla. Dat neemt niet weg dat de sector kritiek heeft op de manier waarmee het tv-programma met dit belangrijke onderzoek omgaat. Over de impact van Zembla’s aanpak op telers is meer te lezen in dit artikel van Boerderij.
 
Dit is onjuist. Ook in 2011 en 2013 werd bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen rekening gehouden met de blootstelling van omwonenden. Maar: er was behoefte aan meer duidelijkheid op basis van metingen in plaats van modellen. De Gezondheidsraad concludeerde:
“Er is onderzoek nodig naar de mate waarin omwonenden van landbouwpercelen worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Daarover is nu onvoldoende bekend.” (bron: Gewasbescherming en omwonenden, Gezondheidsraad)
Gelukkig blijkt uit het blootstellingsonderzoek dat de daadwerkelijke metingen lager zijn dan op basis van de modellen ingeschat. Zoals het RIVM-rapport concludeert:
“De gemeten luchtconcentraties waren overwegend een factor tien lager dan waarmee wordt gerekend in de risicobeoordeling bij de toelating van middelen. De gemeten concentraties in urinemonsters van deelnemers aan het onderzoek bleken lager te zijn dan die in de urine van proefpersonen die de dosering hadden gekregen die veilig is bij een acceptabele dagelijkse inname. De resultaten laten zien dat de blootstelling aan de hier onderzochte middelen niet te laag wordt ingeschat in de huidige toelatingsbeoordeling.” (bron: Aanbieding blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen)
Conclusie: uit de metingen blijkt dat we er in 2011 terecht van uitgingen dat de blootstelling onder de zeer strikte veiligheidsnormen bleef.
Meer informatie over de precieze wijze van berekenen voor 2013: https://www.ctgb.nl/onderwerpen/risico-omwonenden
 
De sector herkent zich niet in de suggestie dat boeren zich niet aan de regels houden, en is ook niet bekend met enige feitelijke onderbouwing van de uitspraak. Het is daarmee een kwalijke stelling richting de ondernemers die heel veel investeren in moderne technieken zodat er nog minder drift plaatsvindt.
 
LTO Nederland, KAVB en NFO nemen de zorgen van burgers in het algemeen, en omwonenden in het bijzonder, altijd serieus. Als er al sprake zou zijn van toenemende spanning dan is het ten zeerste te betwijfelen of dat komt door de uitkomsten van het rapport. Een waarschijnlijker oorzaak is de eenzijdige en gekleurde manier waarop Zembla over de uitkomsten bericht.

De sector zal zich blijven inzetten om, zowel op lokaal als nationaal niveau, het gesprek aan te gaan over gewasbeschermingsmiddelen.

 

Een vreemde opmerking. De toelichting staat in twee berichten op onze website: “De strikte veiligheidsnormen voor de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen worden niet overschreden.” Dat is geruststellend.

25 april 2019

BRON:
LTO, KAVB, NFO
Naar boven