Pluimveehouderij

De Nederlandse pluimveehouderij kent twee grote takken: de productie van eieren en de productie van vlees. Ons land telt zo’n 900 bedrijven met leghennen die samen ongeveer 35 miljoen dieren houden (goed voor elf miljard eieren per jaar). Ongeveer de helft zal alle eieren wordt geëxporteerd met Duitsland als belangrijkste bestemming. Supermarkten in Nederland en Duitsland zijn volledig omgeschakeld naar welzijnsvriendelijke eieren.

Daarnaast telt Nederland zo’n 600 bedrijven met vleeskuikens (met daarnaast zo’n 200 bedrijven die voor de vleeskuikenhouderij de broedeieren produceren). Samen houden deze 600 bedrijven zo’n vijftig miljoen dieren. Mondiaal neemt de vraag naar pluimveevlees gestaag toe dankzij een groeiende vraag naar gemaksvoeding. Bovendien is pluimveevlees relatief goedkoop en botst het product niet met de grote geloofsovertuigingen. 

Tot slot kent Nederland ook kalkoenenhouderij en  eendenhouderij, geconcentreerd in respectievelijk Limburg en rond de Veluwe.  

De vakgroep Pluimveehouderij LTO/NOP is op landelijk niveau dé behartiger van de belangen van Nederlandse pluimveehouders. Recent is de sector geraakt door ingrijpende incidenten op het gebied van diergezondheid (vogelpest) en voedselveiligheid (fipronil). 

Dierwelzijn is traditioneel een belangrijk issue in de sector. De legsector heeft dat thema in hoge mate getackeld en ook de vleeskuikenhouderij zet momenteel grote stappen: een steeds groter deel van de productie vindt plaats onder het Beter Leven keurmerk. Maatschappelijke discussies spitsen zich nu toe op het gebruik van antibiotica en de uitstoot van geur, fijnstof en ammoniak uit stallen. Nieuwe stalsystemen kunnen die uitstoot tot een minimum beperken. Het mestprobleem heeft de sector grotendeels zelf opgelost, mede dankzij de realisatie van een grote verwerkingsfabriek in Moerdijk. Daar wordt uit pluimveemest groene stroom opgewekt.

 

15 december 2006

BRON:


Naar boven